< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 19 december 2014 heeft het CBR het verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 14 mei 2012 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] en oplegging van de verplichting deel te nemen aan een alcoholslotprogramma (hierna: asp), afgewezen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



201508798/1/A1.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2015 in zaak nr. 15/1896 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2014 heeft het CBR het verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 14 mei 2012 tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] en oplegging van de verplichting deel te nemen aan een alcoholslotprogramma (hierna: asp), afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2015 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het CBR hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 oktober 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat te Rotterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij besluit van 14 mei 2012 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard en hem verplicht deel te nemen aan een asp. Hieraan heeft het CBR ten grondslag gelegd dat [appellant] op 10 april 2012 heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek naar het alcoholgehalte van zijn adem. Tegen dit besluit heeft [appellant] geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit onherroepelijk is geworden.

Bij besluit van 19 december 2014 heeft het CBR het verzoek van [appellant] om terug te komen van het besluit van 14 mei 2012 afgewezen. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat [appellant] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. [appellant] kan zich niet met dit besluit verenigen.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Beoordeling hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 14 mei 2012 nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden heeft vermeld. Daartoe wijst hij op veranderde jurisprudentie over oplegging van een asp. In het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434) is het opleggen van een asp als criminal charge aangemerkt, zodat dit in geval van strafrechtelijke vervolging als een ontoelaatbare dubbele bestraffing heeft te gelden. In de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:622) is overwogen dat artikel 17, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) onverbindend is. Sinds deze uitspraken heeft het CBR afgezien van het opleggen van asp's, aldus [appellant].

Verder voert [appellant] aan dat aan de weigering om terug te komen van het opleggen van een asp ten onrechte geen belangenafweging ten grondslag is gelegd. Hij wijst op de wijziging van artikel 18 van de Regeling op 22 april 2014, waardoor een betrokkene die voor zijn inkomen afhankelijk is van een rijbewijs in de categorieën C of D, niet langer in aanmerking komt voor een asp. [appellant] stelt als taxichauffeur voor zijn inkomen eveneens afhankelijk te zijn van zijn rijbewijs. Hij wijst verder op het arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 november 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:2975), waaruit blijkt dat het niet teruggeven van een rijbewijs na het opleggen van een asp onder omstandigheden onrechtmatig is. Hij stelt net als in deze gevallen werkloos te zijn geraakt, zijn beroep niet meer te kunnen uitoefenen en niet de financiële middelen te hebben om aan een asp deel te nemen.

Tot slot voert [appellant] aan dat hij thans aan de hand van het strafdossier in zijn zaak kan aantonen dat niet vaststaat dat hij heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek naar het alcoholgehalte van zijn adem en dat indien hij wel heeft geweigerd, hij zich kan verschonen om medische redenen.

3.1. In de uitspraak van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131), heeft de Afdeling aanleiding gezien haar rechtspraak over verzoeken om terug te komen van besluiten aan te passen. De nieuwe lijn wordt met onmiddellijke ingang gehanteerd.

Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb , dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. Als het bestuursorgaan zulk beleid niet voert en het hierover in het besluit ook geen standpunt heeft ingenomen, dan zal de bestuursrechter het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen zodanig standpunt alsnog in te nemen.

3.2. Het CBR heeft [appellant] in 2012 een asp opgelegd met toepassing van artikel 17 van de Regeling. In de uitspraak van 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:622) heeft de Afdeling overwogen dat dit artikel onverbindend is. Daarbij heeft de Afdeling betrokken hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434) heeft overwogen over de samenloop van een asp met een strafrechtelijke sanctie. In dezelfde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat deze onverbindendheid niet betekent dat het CBR, hoewel daartoe bevoegd, gehouden is om reeds in rechte onaantastbaar geworden besluiten tot oplegging van een asp te heroverwegen. De Afdeling heeft in dat verband gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 16 oktober 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC0718; Vulhop). In die uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aan de formele rechtskracht van een beschikking waartegen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan en deze rechtsgang niet is gebruikt, niet wordt afgedaan in het geval de regeling waarop het besluit is gebaseerd, onverbindend is verklaard. Reeds gelet op deze uitdrukkelijke overweging vormen deze uitspraak van de Afdeling en het daarbij betrokken arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb .

3.3. Artikel 18 van de Regeling, zoals dat ten tijde van het besluit op bezwaar luidde, bepaalde onder welke omstandigheden een betrokkene niet in aanmerking kwam voor het asp. De wijziging van dit artikel waaro p [appellant] zich beroept, betrof een toevoeging van een onderdeel dat zag op houders van rijbewijzen in de categorieën C1, C, D1 en D, die betrekking hebben op bussen en vrachtwagens. [appellant] is geen houder van een rijbewijs in een van deze categorieën. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, doet de stelling dat deze regeling ook voor taxichauffeurs zou moeten gelden, niet af aan het feit dat artikel 18, zoals dat na de wijziging luidde, daarin niet voorzag. Deze wijziging betreft dan ook geen relevante wijziging van het recht die in de weg stond aan toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb door het CBR.

3.4. De stelling van [appellant] dat hij op 10 april 2012 niet heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek naar het alcoholgehalte van zijn adem, maar dat hij daartoe niet in staat was, had hij reeds in bezwaar tegen het besluit van 14 mei 2012 kunnen aanvoeren. Dat hij, zoals hij ter zitting naar voren heeft gebracht, daarvan heeft afgezien omdat hij verwachtte dat het maken van bezwaar geen kans van slagen zou hebben, dient voor zijn risico te blijven. Dat hij, zoals hij eveneens ter zitting naar voren heeft gebracht, niet eerder beschikte over relevante informatie en stukken over hetgeen op 10 april 2012 is gepasseerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Twee van de stukken die [appellant] - eerst in hoger beroep - ter onderbouwing van zijn stelling heeft overgelegd, te weten het meldingsformulier geweldsaanwending en de medische verklaring, zijn opgesteld op 10 april 2012. Niet is gebleken dat [appellant] deze, indien hij daartoe pogingen in het werk had gesteld, niet reeds had kunnen verkrijgen voordat de termijn om bezwaar te maken tegen het besluit van 14 mei 2012 was verstreken. Deze informatie en deze stukken hebben dan ook niet te gelden als nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb .

3.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat [appellant] geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden aan zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 14 mei 2012 ten grondslag heeft gelegd. Dit betekent, gelet op de onder 3.1 weergegeven nieuwe lijn, dat het CBR er in beginsel voor mocht kiezen om het verzoek om terug te komen van het besluit van 14 mei 2012 met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb , af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. Dat is slechts anders indien het besluit om niet terug te komen van dat eerdere besluit evident onredelijk is. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

3.6. Uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2015 volgt dat het CBR niet gehouden is terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het opleggen van een asp. Uit hetgeen in die uitspraak ten aanzien van het opleggen van een asp is overwogen, volgt dan ook op zichzelf nog niet dat het evident onredelijk moet worden geacht dat het CBR niet terugkomt van dergelijke besluiten. Daaraan doet niet af dat het CBR afziet van het opleggen van een asp in nieuwe gevallen, reeds omdat de bevoegdheid daartoe ontbreekt vanwege het onverbindend achten van artikel 17 van de Regeling in de bedoelde uitspraak en van de wijziging van de Regeling nadien, waarbij dit artikel is vervallen. Dit neemt niet weg dat de omstandigheden van het geval kunnen maken dat het niet terugkomen van een besluit tot het opleggen van een asp evident onredelijk moet worden geacht. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

Weliswaar staat vast dat [appellant] werkzaam is geweest als taxichauffeur, maar uit de stukken blijkt dat hij beschikte over een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar tot 2 mei 2012, die door zijn werkgever op 11 april 2012 vroegtijdig is beëindigd. Aangenomen kan worden dat deze beëindiging verband hield met de aanhouding van [appellant] op 10 april 2012 en niet met het pas nadien genomen besluit van 14 mei 2012, waarbij een asp is opgelegd. Bij de stukken bevindt zich verder een verklaring van de voormalige werkgever van [appellant] van 14 mei 2014, waarin staat dat deze geen bezwaar ziet om een arbeidscontract met [appellant] te sluiten op het moment dat hij zijn werkzaamheden onbelemmerd kan uitvoeren. De Afdeling acht deze verklaring echter onvoldoende om aan te nemen dat [appellant], indien aan hem geen asp was opgelegd, als taxichauffeur werkzaam zou zijn geweest. Gelet hierop geeft de door [appellant] geschetste persoonlijke situatie geen aanleiding voor het oordeel dat het evident onredelijk is dat het CBR niet is teruggekomen van het besluit van 14 mei 2012.

Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

270-727.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature